​India7. Hemel in de wereld

Ik sluit niet uit dat er een god bestaat en ik doe mijn best voor het goede. Dat is zo ongeveer mijn vrij aardse persoonlijke geloofssysteem, het is maar dat je het weet. Ik ben dus, religieus gezien, een tamelijk gewone hollandse ietsist-achtige, en ik ben ook nog eens niet echt hard in mijn ‘misschien-gods-leer’. Als ik in een devote omgeving zoals een klooster of een kerk terechtkom, dan laat ik me graag bedwelmen en meevoeren door het spiritualisme en de goede bedoelingen van de gelovigen en hun ‘intermediairs’, de pastoors, monniken, kosteressen etc. Eerbiedig geloof ik dan meestal een beetje met hen mee en laat ik mijn houding van afstandelijk-kritische beschouwing los. In de boeddhistische kloosters van Ladakh overkwam me een aantal keren een dergelijke situatie, maar mijn ‘beetje mee-geloven’ werd daarbij wel bijzonder sterk getriggerd. De kloostergebouwen zelf spreken door hun ligging meestal al zeer tot mijn spiritualistische verbeelding: hoog in de bergen, ver weg van de banale wereld, meestal op een hoog punt in die bergomgeving, en meestal met daaronder een dorpje en een school die volledig ten dienste staan van het betreffende klooster. Dichterbij het hogere kan zo’n klooster dan niet zijn.
Driemaal had ik het geluk om terecht te komen in actieve geloofsuitoefening van monniken en daarbij tot mijn verbazing ook nog gewoon bij welkom te zijn.

Ik liep een keer binnen in het stadsklooster van Leh, waar een driedaags boeddhistisch-religieus festival plaatshad. Een paar honderd monniken waren bijeen in de hoofdtempel om naar een lezing te luisteren, en ik was van harte welkom om daar met een tiental andere europeanen bij aanwezig te zijn. Het was een lezing, geen gebed, maar de aandacht en focus van de monniken van de kloosters uit de wijde omgeving waren ongewoon hoog, meditatief. De spreker/voorganger was lang van stof (vooral voor iemand zoals ik die er vrijwel niets van verstaat) en sprak met veel emotie: blijdschap en plezier, ingehouden boosheid en frustratie, en verdriet. Op een zeker moment kreeg hij het zelfs echt te kwaad en kon zijn tranen niet bedwingen. De monniken keken er niet van op of om. Eentje stond op om een glaasje water aan te reiken aan de spreker, waarna deze zich herpakte en voort kon gaan met zijn betoog. Overigens was het enige woord dat ik wel verstond wellicht de reden voor al zijn emotie: ‘Tibet’.

Een andere keer werden we tijdens een kloosterbezoek uitgenodigd om bij een mantra-gebed van een oudere monnik aanwezig te zijn. Met onze hele achttienpersoonsgroep zaten we op de grond in een te krappe ruimte te luisteren naar het zanggesprek tussen de monnik en zijn god (of wellicht zijn betere zelf). De man nam ons allemaal volledig mee in zijn metafysisch bewustzijn. We waren ongewoon stil en aandachtig. Een paar maal opende de man zijn ogen na het einde van een gebedsdeel. Met dezelfde intensiteit als waarmee hij opging in zijn gebed, zocht hij dan even contact met ons: ineens een wakkere oogopslag, een vriendelijke lach, een totale acceptatie van onze aanwezigheid in zijn intieme gesprek met god. Ik was diep onder de indruk van het voelbaar goede van deze monnik die ongetwijfeld al sinds zijn prille jeugd elke dag deze toewijding aan zijn god (of zijn betere zelf) zocht.

Een derde situatie was dat er bij een bergklooster dat we bezochten een jaarlijkse gebedsdag bleek plaats te hebben waarin wij alweer zonder enige restrictie welkom waren. Alle monniken van het klooster (ongeveer honderd) waren een lange dag (met pauzes) bijeen in de hoofdtempel voor mantra-gebed. Ook de aspirant-monniken vanaf een jaar of tien waren erbij. Bijzonder geruststellend vond ik dat die jochies enerzijds netjes meededen maar anderzijds ook nieuwsgierig keken naar ons als plotse bezoekers, en dat ze bovendien af en toe ook wat zaten te ginnegappen en dat dat kennelijk prima werd gevonden door de volwassen monniken. Ook hier hadden de monniken weer een ongekend hoge mate van toewijding, opgebouwd in hun sobere leven van elke dag, maar de sfeer in de tempel was tegelijk ook gemoedelijk en zelfs bijna gezellig. In de gebedspauze kregen de jonge monnik-jongens buiten allemaal een kartonnen pakje drinken van hun mentor.

In het onherbergzame Ladakh biedt religie troost, vermoed ik. Acht maanden per jaar is de boel ingesneeuwd en kun je geen kant op, in de korte warme zomers moet je zaaien en oogsten en tegenwoordig ook proberen geld te verdienen aan toeristen. Het leven was heel arm en heel hard, het is nu vrij arm en nog steeds niet makkelijk. Als gelovige kun je dan troost ontlenen aan kloosterlingen die aan jou verlossing van je dagelijkse zorgen voorspiegelen. En dat werkt het beste als die kloosterlingen zelf daadwerkelijk eenvoud, goedheid en toewijding laten zien. Tenminste, dat is mijn houtje-touwtje psychologische-verklaring-van-de-koude-grond voor de balans tussen gelovigen en geloofsprofessionals zoals ik dat hier meen te zien. Kloosters zijn toevluchtsoorden uit de hardheid van het dagelijks bestaan. Gelovigen financieren graag kloosters, voor hun rol als troosters.

Wat ik me dan afvraag: zouden kloosters bij ons in onze middeleeuwen dezelfde rol hebben vervuld?!…. Geen idee, ik zou het niet weten en ik weet niet of daar alsnog voldoende historische indicatie voor gevonden zou kunnen worden. En wat ik me ook afvraag: zullen de kloosters in Ladakh over pakweg een eeuw, als ook hier bestendige welvaart zal zijn, nog steeds bestaansrecht hebben?!…

De kern van alle religies is naar mijn indruk trouwens overal ongeveer hetzelfde. Een hogere macht in de vorm van één of meerdere goden danwel een ooit te bereiken verlichte staat, en daarnaast een hele serie geloofsartikelen die de goede omgang tussen gelovigen en eventueel ook anderen (‘omarmen’ zoals het boeddhisme voorschrijft, of juist doodmaken, zoals de islam volgens sommige uitleggers zegt) dienen te bevorderen en die er bovendien natuurlijk op zijn gericht om het geloofsinstituut te bestendigen. In dat kader vind ik het verschijnsel ‘karma’ een enorm slimme uitvinding van het hindoeïsme en het boeddhisme. Alles wat je goed doet, draagt bij aan je karma en dus aan hoe je in je volgende leven terugkeert op aarde. Dat is een stuk effectiever dan de aanpak van de christenen: daar bestaat immers alleen maar een digitaal ‘ja/nee’ van het opperwezen over jouw toegang tot de hemel, en jouw aardse goede daad leidt niet automatisch tot een betere positie na je dood.

Ik kom nog even terug op mijn vorige bericht, over de bijna-dode fietser. Iemand gaf me terug dat deze titel en mijn toon in het stukje behoorlijk cynisch waren, en dat vind ik achteraf ook wel. Ik schreef er mede mijn frustratie mee van me af, kort nadat we in het ziekenhuis machteloos afscheid hadden genomen van deze door ons gevonden fietser met levensgevaarlijke hoogteziekte die niet wilde luisteren naar doktersadviezen. Het goede nieuws nu is dat we een dag later werden gepasseerd door een ambulance waarin de betreffende man (mét zijn zichtbare fiets!) werd vervoerd in de richting van een stad met een gespecialiseerd ziekenhuis. Uiteindelijk is de man kennelijk toch tot rede gekomen. Gelukkig.

Meer klooster- en monnikenfoto’s op facebook.
Namasté! Groet van Henk

wp-1470037548107.jpg

Advertenties

    • marian

      Wat een herkenbare filosofische gedachten over al dan niet geloven Henk; heb ik nou ook van tijd tot tijd. Jij weet ze
      humoristisch en luchtig te verwoorden. Ik heb er weer smakelijk om kunnen lachen. Leuke beschrijvingen van je reis, ik volg ze met plezier. Marian

      Like

Jouw reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s